Man op reis in Australië: baard

11 mei 2018 door

Normaal gesproken ga ik gladgeschoren door het leven. Mijn vader gaf me voor mijn achttiende verjaardag – ik zou op kamers gaan – een scheerapparaat en dat was dat. Later, rond mijn dertigste, ontdekte ik de bescheiden geneugten van het natscheren, met mes en schuim, elke ochtend volgens vast stramien: eerst linker- en dan rechterwang en dan het stukje tussen neus en lippen en tenslotte kin en nek.

Zo scheerde ik me door mijn volwassen mannenbestaan, denk ik terwijl ik mezelf bekijk in de scharnierende scheerspiegel in het hippe hotel in Sydney, aan het eind van drie weken Down Under.

Man op reis in Australië: baard

Ik kijk mezelf aan en zie een nieuwe versie van mezelf: buitenman, wild, zongebruind, een bos ongetemd haar op mijn hoofd – en een tamelijk volwassen baard.

Het was al op de heenvlucht, herinner ik me, dat ik het nogal omslachtig vond om me te scheren. Op de luchthaven van Hong Kong, tijdens de tussenlanding? Nee.

Eenmaal aangekomen in Brisbane – tweemaal ruim acht uur vliegen, Australië blijft exotisch ver weg – was het laat en ik moe; ik liet het erbij.

Zo had mijn baard alle kans om zich voorzichtig te laten zien. Mijn reisgezelschap vond het ‘wel stoer’: “Van mij mag ‘ie blijven.” Ik besloot mijn scheerschuim en mijn mesje verder onaangeroerd te laten.

Man op reis in Australië: baard

Als beginnende baarddrager kijk je al snel naar andere baarden, viel me op. En die zijn er, in dit land van Echte Mannen. De hipsterbaard blijkt universeel, inderdaad, maar: voorbehouden aan grote steden. Daarbuiten heerst de wilde baard. Kort, middellang of – zoals die van onze kajakgids in de Outback – welig tierend maar wel omlaag, naar een punt op navelhoogte.

Mijn baard paste. Besloot ik. Net als mijn korte broeken en mijn T-shirts die valer en meer bezoedeld raakten naarmate de reis vorderde. Australië is – nogmaals, buiten de grote steden – geen land voor modemensen. Ugg, ja, en Billabong, dat zijn de merken hier.

Ik kijk mezelf aan en weet een verdieping onder me een kapperszaak van het soort dat ook in Amsterdam furore maakt; met chromen stoelen, royaal bemeten kappersmessen en jazzmuziek. Ik weersta de verleiding. De baard blijft – althans, nog even. Thuis zal ik mijn dochters – die, toen ze eenmaal wisten dat er sprake was van een papa-met-een-baard, smeekten om hem te mogen zien, aanraken zelfs als het kon – plezieren en voorts kijken of mijn outdoor-versie de Nederlandse normaliteit zal overleven.

Ik strijk over mijn baard, die inmiddels zo lang is dat hij niet meer prikt maar zacht is en meegeeft. Een souvenir vind ik het, in de meest letterlijke zin: gekweekt in een land dat in wezen een mannenland is gebleven, woest en ruig en niet te temmen, ook al zou je dat willen.

Onno Aerden is als schrijver en columnist onder meer verbonden aan het Financieel Dagblad en Big Black Book. Voor TravelEssence reist hij naar Australië en Nieuw-Zeeland om in zijn persoonlijke, licht verwonderende stijl, verslag te doen van zijn ervaringen.